Wetenschappelijke raad adviseert over toekomst tuchtrecht

1 december 2020

Uit de opbrengsten van de ‘innovatiereis’ die op initiatief van het bestuur heeft plaatsgevonden,  komen een aantal strategische afwegingen naar voren. Deze betreffen onder meer de vraag hoe om te gaan met 1) de gedragscode en -regels uit 2015 en 2) het tuchtrecht. Dit mede omdat de Raad voor Organisatieadviesbureaus (ROA) ervoor gekozen heeft om het tuchtrecht op te geven. Aan zowel de commissie Beroepsethiek als aan de Wetenschappelijke raad is om advies gevraagd. In deze nieuwsbrief delen wij alvast de gedachten van de WR over dit voor de Orde zo belangrijke onderwerp. Het bestuur hoort graag hoe jij als Orde-lid hierover denkt*.

Code & de gedragsregels
Allereerst over de code en de gedragsregels. De WR is het erover eens dat die een waarde hebben zolang de Ooa gezien wordt als ‘hoeder van het vak’ en ‘belangenbehartiger van de beroepsgroep’. Velen van ons zijn mede gevormd door discussies erover, gebruiken ze ook in het opleiden van studenten of collegae en delen ze met klanten (vaak bij offertes). Ze zijn ook geen open deur: je ziet genoeg gepruts van vakgenoten waarbij men zich niet bewust is van die code of regels en het een zegen zou zijn als dat wel zo was.

Hygiëne
Dat gezegd hebbend, ziet de WR wel dat vooral de regels aan een opfrisbeurt toe zijn: meer dan de code zijn juist die wat gedateerd, instrumenteel en eenzijdig. Zo zie je bij de regels bijvoorbeeld dat ze erg gericht zijn op werken ‘op basis van bestede tijd’, wat zeker niet voor alle consultants meer geldt. Ook zien we de code en gedragsregels als een soort hygiëne: het garandeert niet goed werk, maar is wel een belangrijke en betekenisvolle ondergrens.

Referentiepunt
Verder meent de WR dat het geen toeval is dat de meesten de code en de regels vooral kennen doordat we erover in gesprek zijn geweest in opleidingen, rond moeilijke cases en dergelijke. Kortom: op papier zijn ze zinnig, maar leersettings of rituelen zorgen dat ze gaan leven. De WR denkt dan ook dat het belangrijk is om dat een plek te geven binnen de Orde, bijvoorbeeld bij de toetreding van nieuwe leden. Een idee is bijvoorbeeld een ‘beroepseed’ die je aflegt als ritueel. Als we willen dat het een herkend referentiepunt is, dan is zulke aandacht vooraf nodig, en niet alleen door middel van tuchtrecht of klachtenregelingen achteraf. 

Tuchtrecht
De WR ziet het tuchtrecht als een escalatieroute. In principe start een traject met evaluaties door adviseurs met betrokkenen van opdrachten en bureaus die dat ook dwars over hun opdrachtenportefeuille doen. De WR meent echter dat een beroepsvereniging het aan haar stand verplicht is om klanten in bescherming te nemen als zulke evaluaties niet afdoende blijken te zijn. Daarnaast lijkt het wenselijk ook het beroep in bescherming te nemen tegen prutsende vakgenoten.

Preventieve werking
Beginnend met dat laatste – het in bescherming nemen van het beroep. Wij zien de mogelijkheden van de Orde op dat vlak om twee redenen als beperkt. Ten eerste is de dekkingsgraad voor de ambitie en het vermogen om de adviesbranche te representeren laag. Alleen daarom al is de WR voorstander van bundeling van krachten met de ROA: de fragmentering van het veld doet niemand goed. Ten tweede zijn de sanctiemogelijkheden beperkt: we kunnen niet iemand (zoals bij medici) uit het beroep zetten, hoogstens uit de Orde. Dat gezegd hebbend, denken we dat er toch een preventieve werking uitgaat van een bepaalde vorm van tucht, zelfs bij weinig cases, lage dekkingsgraad en beperkte sancties. De WR denkt echter dat dat ook mogelijk is zonder dat het erg juridisch ingestoken wordt (zie uitleg verderop over een soort ‘klachten/review procedure’). 

Civiel recht
Dan naar het in bescherming nemen van klanten. Dit ligt anders: hier menen we dat elke klant de escalatiemogelijkheid moet hebben waar nodig. We zien echter wel dat niet elke klant daarin hetzelfde zoekt. Enerzijds zijn er klanten die genoegdoening of bestraffing zoeken. Daar past een juridische route bij, maar het civielrecht biedt daar soelaas voor. En klanten weten die weg vaak ook al te vinden. We betwijfelen of de Orde daar een eigen (dure) procedure met externe juristen voor in het leven moet houden. De meerwaarde lijkt ons klein.

Lessen trekken
Daarnaast zijn er klanten die het er meer om gaat dat hun klacht erkend wordt, dat serieus wordt besproken wat er mis is gegaan, dat er lessen uit worden getrokken zodat anderen hopelijk minder in eenzelfde situatie verzeild raken. Wij menen dat een juridische route daar niet per se voor nodig is, en wellicht ook niet altijd geschikt. Dit kan meer de vorm krijgen van een klachtenprocedure dan tuchtrecht, meer van een moreel beraad dan een rechtbank, meer van verbeterde oordeelsvorming dan bestraffing.

Reviewprocedure
Dat lukt alleen als zo’n klachtenprocedure geen stoffig bureaucratisch geheel wordt maar een onderzoek van wat een (ethische) handelswijze behelst van goede adviseurs in concrete (complexe) situaties, bij voorkeur in aanwezigheid van de klant zelf. Tot slot menen we dat zo’n soort procedure daarmee niet alleen een beschermende rol kan hebben voor klanten, maar ook een meningsvormende rol voor vakgenoten wanneer die vrijwillig een vraagstuk inbrengen om te verkennen wat nou eigenlijk goed is in een bepaalde situatie te doen. Het woord klachtenprocedure past dan wellicht minder goed: je kunt het een ‘reviewprocedure’ noemen.

Van oud naar nieuw
Samenvattend, zou dat betekenen dat we het oude tuchtrecht vervangen door een nieuw op te zetten klachten/reviewprocedure. Eén waar de ethische commissie van de Ooa een goede rol in kan vervullen, mocht ze daartoe bereid zijn.

* via secretariaat@ooa.nl