Nieuws van een ordelid: Young Ooa-lid Marjolijn Bramer in gesprek met Rob Wagenaar en Jan Edelman Bos

3 mei 2012

Drie generaties reflecteren op ‘het vak’.

Inspiratie

In ons vak zijn ‘nieuwe ontmoetingen’ niet uniek. Vakgenoten, opdrachtgevers, gelijkgestemden, anders denkenden, in allerlei contexten komen we nieuwe mensen tegen. Vaak zijn deze ontmoetingen inspirerend omdat je iets herkent in de ervaringen en ideeën van de ander, geïnspireerd raakt door een goed gesprek over het vak. Maar de ontmoeting die ik samen met mijn collega Rob Wagenaar had met Jan Edelman Bos, was er één uit de categorie bijzonder en mijmerde nog dagen door in mijn hoofd. Op deze plek een impressie uit dit gesprek tussen vakgenoten: Prof. Drs. Jan Edelman Bos (87), Drs. Rob Wagenaar (65) en ikzelf (29).

Onderwerp van het gesprek is: ‘het vak’. We kijken terug, beschouwen het heden en blikken vooruit. Is er iets veranderd in al die jaren en wat dan? Was het vroeger beter om adviseur te zijn?

Een vak – een cultuur
De vraag is of onze (jonge) professie echt ontwikkeld is tot een ‘vak’, of dat het vooral een ‘cultuur’ is? De visie van Edelman Bos: Het vak kristalliseert zich uit door middel van processen tussen vakgenoten; processen die plaatsvinden binnen een ontwikkelende professionele cultuur. Het vak is gericht op georganiseerde menselijke samenwerkingen, die functioneren temidden van dynamische omgevingen. Dus een ‘binnenwereld’ in interactie met haar ‘buitenwereld’. In een adviesproces staat de binnenwereld (bv. afdeling, businessunit, onderneming, fusie, netwerk) onder de professionele beschouwing van de organisatieadviseur.

Ook in de vroege jaren stonden reflectie en ontwikkeling centraal. Omdat universiteiten in de jaren vijftig van de vorige eeuw geen bij onze professie aansluitend onderwijs boden, ontstonden instituten die dat wel deden. Sioo was jarenlang de enige instantie waar op postacademisch niveau het vak geleerd kon worden. In de stichting Studiecentrum Bedrijfsbeleid (Berg en Dal) werden voor senior managers de eerste managementcursussen gegeven. Jan heeft aan beide instellingen mooie herinneringen. Deze opleidingen fungeerden voor hem als rustplek, reflectiemomenten in het hectische adviseursleven. En hoewel vijftig jaar later in tijd, dit is precies het gevoel dat ik tijdens mijn opleiding bij Sioo heb ervaren. Een bijzondere ontdekking dat deze beleving van het vak over generaties heen zo overeen komt!

Ereregels, al snel geformuleerd
Hoe breed of hoe smal ben je en moet je zijn als adviseur? Op welk systeemniveau adviseer je? Mag je je opdracht verbreden? Wanneer weiger je een opdracht? De disputen van nu blijken ook de discussies van toen te zijn. Al in een vroeg stadium ontstond de discussie over ethiek. Jan blijkt aan de wieg te hebben gestaan van de allereerste versie van ‘de gedragscode’. ‘Ereregels’ heetten ze toen. Hieruit blijkt dat de perceptie over het vak stoelde op een gezamenlijk gedeeld besef van verantwoordelijkheid en goede vakuitoefening.

 

De eerste versie van de ereregels

  1. Een organisatieadviseur kan slechts opdrachten aanvaarden, waarvoor hij de verantwoordelijkheid voor een deskundige uitvoering kan dragen, gebaseerd op deugdelijk onderzoek en op onafhankelijke meningsvorming.
  2. Volledige wilsovereenstemming van de zijde van de opdrachtgever is noodzakelijk, waarbij de organisatieadviseur geen garanties voor de resultaten kan geven.
  3. Het honorarium mag niet afhankelijk zijn van de uitkomsten van de opdracht.
  4. De organisatieadviseur zal zorg dragen, dat het in hem gestelde vertrouwen niet aangetast wordt.
  5. De organisatieadviseur zal zich onthouden van datgene wat zijn onafhankelijkheid in gevaar kan brengen, hetzelfde geldt voor het aanzien en de waardigheid.
  6. Het is een organisatieadviseur niet toegestaan om zonder voorafgaande goedkeuring van de cliënt diens personeelsleden te adviseren inzake het zoeken of aanvaarden van een andere werkkring.

Bron: Hellema, P. en Marsman J., De organisatie-adviseur. Opkomst en groei van
een nieuw vak in Nederland 1920 – 1960, Boom 1997, pagina:158.


Adviseren vanuit breder perspectief
In de jaren van de wederopbouw bouwden ingenieurs en economen aan ‘efficiency’. Mijn beeld was dat de focus in die jaren toch vooral bij het ‘instrumentele’ bleef. Dat had ik mis. Ook in die tijd was, in elk geval bij het bureau waar Jan aan verbonden was (Bosboom en Hegener), al aandacht voor ‘gedrag’. In de loop van de jaren vijftig stroomden gedragswetenschappers de ‘efficiencybureaus’ binnen en kreeg het organisatieadviesvak een bredere blik. De multidisciplinaire samenstelling die Bosboom kende was toentertijd wel tamelijk uniek, maar toch! Boeiend is het om te merken dat de beelden die bij een huidig groot bureau horen zowel door Jan als door mij op dezelfde wijze worden ervaren. Over hardnekkigheid van een cultuur gesproken!

Internationaal, belangrijk!
Jan en Rob delen de overtuiging van het belang van contacten over de grenzen. Jan vertelt over voorlopers van wat nu ICMCI, Feaco en internationale managementopleidingsinstituten zijn. De jaarlijkse conferenties waren een must voor bureauhoofden en senior adviseurs van Nederlandse organisatieadviesbureaus. Men ontmoette elkaar daar in een internationale erg stimulerende omgeving, liet zich inspireren, maar gebruikte ook onderling de tijd om bij te praten over Nederlandse ontwikkelingen. Jan: “Menig idee en Nederlandse beroepssamenwerking is tijdens die internationale conferenties ontstaan”

Beroepsvereniging als katalysator
Met twee oud-voorzitters aan tafel moet er natuurlijk ook over de Ooa gesproken worden. Jan is duidelijk over de rol van de Ooa: heel belangrijk als een van de plekken waar kernprocessen van onze vakontwikkeling zich afspelen. Met waardering wordt gesproken over het doen en laten van de Orde, waarbij ook nog even de naam valt van de huidige voorzitter. Tot zijn verrassing was Jan vanuit zijn advieswerk van 15 jaar geleden bekend bij Jan Willem Kradolfer: Jan was adviseur van de Eneco-directie waar Jan Willem lid van was. Ook herkenbaar voor adviseurs: je weet nooit bij wie en wanneer je welke indruk hebt achtergelaten.

Onze status is die van onze opdrachtgevers
Sprekend over de huidige tijd noemen wij de matige status van het vak. Ik moet regelmatig uitleggen dat ik als adviseur toch echt wel relevante dingen doe, de verantwoordingsdruk is groot. Dat was vroeger toch anders. Wij concluderen dat beeldvorming sterk afhangt van het imago van de managementfunctie in onze samenleving. Jan heeft – met de Marshall hulp en de VS reizen van de Commissie Opvoering Productiviteit in de vijftiger jaren - de opkomst en de maatschappelijke waardering van het fenomeen management en managementwetenschappen meegemaakt. Het is zorgelijk dat management (en daarmee ook leiderschap) momenteel zo slecht staat aangeschreven. Het is immers een cruciale en maatschappelijk uiterst relevante functie die vervuld moet worden. Daar zou op nieuwe wijze inhoud aan moeten worden gegeven. Wellicht iets voor adviseurs?

Er is veel veranderd en er is veel hetzelfde gebleven
Er is veel veranderd, het vak heeft zich erg ontwikkeld, terwijl essenties toch hetzelfde zijn gebleven. Drie adviseurs van verschillende generaties spreken duidelijk dezelfde taal en herkennen elkaars ervaringen. Dit gesprek deed mijn adviseurshart sneller kloppen; ik besefte me weer eens dat dit toch echt mijn vak is. Ook Rob kijkt terug op een bijzonder gesprek en het doet ons deugd dat ook Jan dit met ons eens is: “Ook voor mij was het boeiend om met jullie in het verleden te duiken en een blik op de toekomst te werpen”.

Marjolijn Bramer, met dank aan Rob Wagenaar en Jan Edelman Bos

 

 

 

De website van de Ooa is vernieuwd! Wat vind je er van?
Beoordeel hieronder de website met een klik op de knop.

 Goede website  Geen goede website

Dat is jammer om te horen! Help ons om de website te verbeteren. Vul hier je problemen met de website in en wij gaan ons uiterste best doen om het beter te maken!

Laat hier je mailadres achter, zodat we voor eventuele vragen contact met je op kunnen nemen.