Complementaire professionaliteit?

3 oktober 2019
Mark van Twist
Mark van Twist
Bekijk profiel

Binnenkort komt de Wetenschappelijke Raad (WR) van onze Orde weer bijeen. Deze Raad faciliteert de interactie tussen theorie en praktijk in de vereniging, en stelt zich ten doel de spanning die tussen beide kan bestaan productief te maken.

Zo is er in de afgelopen periode gesproken over advisering in het ‘post truth’ tijdperk, waarin feiten en meningen bijna onontwarbaar door elkaar lijken te lopen en de waarheid die zich aan ons opdringt steeds meer het product is van framing. En natuurlijk is (en wordt) er binnen de WR ook nagedacht over de competenties en capaciteiten die nu en in de toekomst van een impactvolle adviseur gevraagd worden.

Een belangrijk agendapunt vormt in dat kader al enige tijd de herziening van de zogenaamde ‘BoKS’. Dat is een acroniem die staat voor ‘Body of Knowlegde and Skills’. De meest recente versie van de BoKS is vastgesteld door het bestuur van de Orde in 2012 en is bedoeld als een hulpmiddel om helder te krijgen welke gemeenschappelijke verwachtingen en eisen er gelden in het professionele domein van de organisatieadviseur. Het laat zich lezen als een dappere (en naar verluidt ook destijds al hevig omstreden) poging een leidraad te formuleren voor de beroepsuitoefening.  

Het adviesproces is in de BoKS uitgewerkt in opeenvolgende fasen en ook de minimaal benodigde competenties in dat proces worden geduid; allemaal met als doel om de kern te bepalen van het adviesvak en ook de begrenzingen aan te geven.

Ik vind het interessant leesvoer voor alle leden van de Orde, al was het maar om te reflecteren over de verhouding tot de actualiteit van ieders eigen professionele adviespraktijk. Interessant én ingewikkeld is vooral de poging om tot grensbepaling te komen en aan te geven wat nu wel - en (bij implicatie) wat niet - tot een professionele uitoefening van het adviesvak gerekend mag worden.

Zonder nu meteen uit de school te klappen kan ik melden dat binnen de Wetenschappelijke Raad het idee leeft dat het moeilijk zal zijn om in onze tijd opnieuw een dergelijk document van insluiting én uitsluiting (met een daaraan gekoppelde disciplinerende werking) te formuleren en vast te stellen.

Beelden die rondgaan over de toekomst van de beroepsgroep zijn die van een uitdijend universum met verschillende zonnestelsels, een context waarin sprake is van (niet langer gestolde maar steeds meer fluïde wordende) pop-up professies en van een steeds persoonlijker wordende professionaliteit die niet strakker omlijnd moet worden maar juist reflexief moet worden gemaakt door het diepgaand verkennen van eigen en andermans inspiratiebronnen.

Zelf ben ik er nog niet uit. Maar nu ik mij als nieuwe voorzitter van de Orde nog even mag verwonderen over de variëteit aan leden van onze mooie beroepsvereniging, valt mij voorlopig toch één ding op: hoe verschillend het werk van de adviseur ook zijn mag, de kern ervan is vaak gelegen in een betekenisvolle complementariteit ten opzichte degene voor wie het werk wordt verricht.

Voor de een zal dat het aanbrengen van structuur zijn, voor de ander het overwinnen van weerstand of het scheppen van een lerende omgeving. En voor weer een ander kan dat het doorgronden van big/open data zijn of juist het uitdagen van de staande organisatie via disruptief ondernemen.

Eigenlijk is de kern van het vak dus dat er geen vaste kern bestaat, anders dan dat de adviseur brengt wat de betekenisvolle ander blijkbaar tekort komt. Maar ja, probeer dat maar eens in een BoKS te vangen…


Reageren op deze column kan via LinkedIN of Twitter